Voorafgaand aan de schietpartij vond er in de supermarkt een ruzie plaats tussen twee vrouwen: de vriendin van de en een bekende van het slachtoffer. Deze ruzie was aanleiding voor het latere slachtoffer om naar de supermarkt rijden. Daar deelde hij klappen uit aan de verdachte. Nadat het winkelpersoneel hen richting de uitgang had gestuurd, bleef het slachtoffer bij de ingangspoortjes wachten. De verdachte liep, toen hij de kassa was gepasseerd, op het slachtoffer af en pakte ondertussen een geladen vuurwapen uit zijn zak. Het slachtoffer ging de confrontatie niet uit de weg. Toen de verdachte op nog geen meter afstand van het slachtoffer was, schoot hij op zijn bovenlichaam. Even later volgde nog een tweede schot terwijl het slachtoffer achter verdachte aankwam. Kort daarna overleed het slachtoffer.
Doodslag
De stelt vast dat de verdachte met een geladen vuurwapen naar de supermarkt is gegaan, maar dat niet kan worden vastgesteld dat hij het plan had om het slachtoffer om het leven te brengen. Op het moment dat de verdachte met zijn vriendin naar de supermarkt ging, wist hij niet dat hij eerdergenoemde vrouw zou tegenkomen en dat naar aanleiding van de vechtpartij ook het slachtoffer naar de supermarkt zou komen. Net zoals de officieren van justitie vindt de rechtbank dat er geen sprake is van moord, maar van doodslag.
Geen noodweer
Volgens zijn heeft de verdachte gehandeld uit verdediging. Ter zitting is daarom een beroep gedaan op noodweer(exces). De rechtbank gaat hier niet in mee. Dat het slachtoffer de verdachte bij de ingangspoortjes heeft opgewacht, is volgens de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een onmiddellijk dreigend gevaar waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Daarbij liep de verdachte zelf, terwijl hij het wapen doorlaadde, met snelle pas in de richting van het slachtoffer. Volgens de rechtbank is uit camerabeelden ook niet gebleken dat het slachtoffer zelf een wapen bij zich had, of dat hij de indruk wekte een wapen bij zich te hebben, waartegen verdachte zich moest verdedigen.
GVM
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op klaarlichte dag in een drukke supermarkt het meest kostbare bezit van het slachtoffer heeft afgenomen, namelijk zijn leven. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van twaalf jaar. Hierbij heeft de rechtbank onder meer rekening gehouden met het feit dat verdachte in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht. Uit onderzoek is onder andere is gebleken dat hij een onrijpe persoonlijkheid heeft, een zwakbegaafd intelligentieniveau en een enigszins beperkt vermogen om logisch te redeneren. Het gevaar op herhaling wordt door deskundigen hoog ingeschat, waardoor de rechtbank het van belang vindt dat de verdachte na de gevangenisstraf toezicht kan krijgen voor behandeling en begeleiding. De rechtbank heeft daarom een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende (GVM) opgelegd.
De verdachte moet daarnaast een schadevergoeding van ruim een ton aan de nabestaanden betalen.

19.0 ℃





































